Moerasdraken #7 Sil Krol

Op 23 september zou in het Bossche Broek de buitententoonstelling Moerasdraak, een samenwerking van brabants kenniscentrum kunst en cultuur (bkkc), Erfgoed Brabant en Staatsbosbeheer, geopend worden. Dat gaat niet door. Dat wil zeggen, nu niet. De expositie verschuift naar volgend jaar en waarschijnlijk naar een nieuwe locatie. Vanuit Staatsbosbeheer hebben een boswachter, een ecoloog en een beheerder gekeken of het natuurgebied de expositie kan ‘verdragen’. Desondanks zijn er bezwaren gemaakt waarvan de afhandeling voor vertraging zou zorgen.
Met moerasdraken 7 en 8 had ik al gesprekken gevoerd voordat het nieuws van het uitstel bekend werd. Die geef ik toch weer. Omdat ze mooi en goed zijn.

Het Bossche Broek, aan de rand van Den Bosch, vormde eeuwenlang een natuurlijk hulpmiddel bij de verdediging van de stad. Den Bosch is in de twaalfde eeuw gesticht op een zandige heuvel in een verder nat gebied, waar Maas, Dommel en Aa een deel van het jaar buiten hun oevers traden en veel kwelwater aan de oppervlakte kwam. Ideaal om vijanden tegen te houden. De stad, met als bijnaam Moerasdraak, achtte zich onverslaanbaar -dat was ze ook, totdat prins Frederik Hendrik in 1629 Jan Adriaanszoon Leeghwater met zijn ingenieurskunsten inschakelde. Het Bossche Broek kwam droog te liggen en na een beleg van viereneenhalve maand nam de prins de stad in. Dat was het einde van de Spaanse tijd. Den Bosch hoorde vanaf  toen bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en werd als vestingstad voortdurend versterkt en uitgerust met een sluizensysteem om gecontroleerd land onder water te zetten (inunderen). Vanaf 1700 is Den Bosch ook deel van het Zuiderfrontier of de Zuider Waterlinie. Die kon niet voorkomen dat de stad in 1794 in Franse handen viel. In 1874 wordt de vesting officieel opgeheven. Er volgen verbeteringen van de waterhuishouding. Dat het Bossche Broek gespaard is gebleven als natuurgebied is te danken aan de inspanningen, al voor de Tweede Wereldoorlog, van Roelof Jan Benthem, inspecteur landschapsbouw bij Staatsbosbeheer.
Voor BuitenPlaatsen heb ik een gesprek met alle kunstenaars.

Op de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam komt de hele wereld samen. Ik loop hem helemaal af, en dan ook nog de hele Schiedamseweg tot op het Marconiplein. Nog steeds is hier iets, in de ruimte, de gebouwen, van het wederopbouwoptimisme. Maar ik weet ook: de straat over en ik ben in het gebied van de stadshavens aan de Nieuwe Maas. Met de Keileweg –de hoeren zijn verdwenen, maar de naam is nog steeds berucht. In plaats van misère tref ik op de Keilewerf een geweldige ‘kunnen we het bouwen-energie’. Een voormalig bedrijfspand is nu een ‘creatieve hub’. Sil Krol heeft er zijn atelier.sil-krolKrol kende ik van zijn interventies: beeldhouwkundige ingrepen in de openbare ruimte die niet zelden vragen oproepen. In Gent plaatste hij in een park op de sokkel die ooit bedoeld was voor een straatlantaarn een obelisk. Die was van hout, maar leek van steen. Een obelisk hoort bij het vocabulair van de machthebber. Niet zelden zijn obelisken als politieke zetstukken gebruikt. Ontdaan van hun eventuele oorspronkelijke religieuze betekenis, staan ze in de stad en zeggen ‘hier geldt de heerschappij van…’. Daarnaast kan de obelisk ook een haast betekenisloos tuinornament zijn, van een vanzelfsprekende schoonheid. In Gent kwamen er geen vragen over de plotselinge plaatsing van het beeld van Krol –wat op zich vragen oproept: viel het niemand op? Is iedereen okee met een obelisk? Of gaat er nog iets van decorum vanuit dat intimideert? Uiteindelijk verdween de sculptuur. Krol vermoedt het werk van vandalen die ontdekten dat de houten constructie kapot kan. Maar voor hetzelfde geldt prijkt de obelisk ergens in een tuin.
Heel anders verliep zijn afstudeerproject in 2010. In Breda plaatste hij, op de plek van een oude stadspoort (de Haagpoort) een wit blok dat voorzien was van de blauwe en oranje strepen die je makkelijk in verband brengt met de politie. Hij noemde het ‘een modern symbool van een checkpoint, een teken van macht dat je moet passeren bij het in- en uitgaan van de stad’.
Het kunstwerk barstte van de suggestie maar was in zichzelf feitelijk ‘niks’. Klanten bij de wietwinkel die er tegenover lag bleven weg, gezagdragers dachten korte tijd dat het gebouwtje er door henzelf was geplaatst. De media kregen er lucht van, GeenStijl kwam kijken. Het werk werd in beslag genomen. Voor Krol hoort de verslaglegging van alle reacties op zijn ingreep bij het werk. Hij onderzoekt immers hoe openbare ruimte en vooral veranderingen daarbinnen, werken.
Zou dat nou eng zijn voor Krol, dat hij langzamerhand doorkrijgt hoe ‘men’ zich kan bedienen van allerlei manipulatieve mechanismen? In een kerk in Amsterdam bracht hij een plateau aan; gewoon trapsgewijs gestapelde platen. Niks meer. En zie: er ontstaat een sacrale ruimte. Van een werk bekijk ik alleen maar een foto van de maquette: een paal met daaraan grote luidsprekers. En onmiddellijk is er het gevoel van dreiging. De totalitair die zijn wil oplegt.falanxVoor Moerasdraak verbeeldt Krol een falanx. Dat behoeft enige uitleg. Een falanx is een gesloten infanterieformatie. Stel je goed bepantserd voetvolk voor dat zich gewapend heeft met lange houten lansen en in een blokvorm staat. Een afbeelding maakt duidelijk hoe aan de rand van de falanx drukkracht uitgeoefend wordt en aangevallen kan worden. Eventuele gevallenen worden meteen ‘van binnenuit’ aangevuld. Bij het beleg van Den Bosch in 1629 is gebruik gemaakt van deze manier van oorlogsvoering. Prins Maurits, voor Frederik Hendrik aanvoerder van de Staatse legers, had zelfs op basis van klassieke bronnen, een exercitie bedacht voor de falanx.
Krol onderzocht hoe de lansen die de zogenoemde piekeniers droegen, eruitzagen. Ze waren meestal tussen de drie en vijf meter lang en ze waren relatief smal, zodat ze hanteerbaar waren. De kunstenaar realiseert een legerloze falanx. Hij maakt een veld met 49 lansen die in de grond staan. De slagorde is zeven bij zeven. Elke lans is vier meter hoog en bekroond met een metalen punt. En in het midden van de formatie staat een mast. Daar wappert de prinsenvlag met zijn oranje-blanje-bleu. Die hier niks meer is dan historisch citaat. Ik ben benieuwd hoe die driekleur zich verhoudt tot de florale vlag van die andere moerasdraak, Lotte Dirks. Alles bij elkaar wordt het indrukwekkend en mooi. Maar Krol is zich bewust van een ambiguïteit. Hij zegt: “Dit werk gaat over de esthetiek die oorlogsvoering kan hebben. Tegelijkertijd is er het contrast met de ellende die strijd teweegbrengt.”
Spannende gedachte: gaat de falanx van Krol onbedoeld werken als The Lightning Field? Dat is het beroemde kunstwerk van Walter de Maria uit 1977. Hij plaatste toen vierhonderd metalen spiezen op een ‘onweergevoelige’ plek in New Mexico. De natuur werd uitgedaagd mee te doen met de kunst.
Of het zover zal komen bij Den Bosch? Daar valt nog niks over te zeggen. Maar Krol merkt wel op: “Ik hoop dat mijn vlaggenmast hoger is dan die van Dirks.”

Advertenties
Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Here’s something for the weekend #225

Barokopera. Als het woord al niet zo’n rijkdom suggereerde, had ik er drie uitroeptekens achter gezet. Maar dat hoeft dus niet. Je denkt al aan een theater vol vuurwerk, donder en bliksem, golvende zeeën, donkere grotten en vrolijke feestweides, stralende sterren, een rijzende maan. In de muziek draait alles om contrast en virtuositeit. Een publiek verrukt van onmogelijke aria’s. En tussen alle geweld zit altijd een stuk, meestal wat melancholisch of bezonken, dat recht naar het hart gaat. Met Händels ombra mai fu als misschien wel bekendste voorbeeld. (Hsftw 73).
Op dit blog ging het al vaak over vogelgeluiden in klassieke muziek. En in Händels opera Rinaldo (Londen, 1711) zit een prachtig gekwetter. Het libretto geeft de volgende toneelaanwijzing: “A delightful place with fountains, paths and aviaries in which birds are flying about and singing”. Daar kan de decorbouwer op los gaan. En als het dan allemaal op z’n lieflijkst is, hoor je de aria Augelletti che cantate (Vogeltjes die zingen). Het voert te ver om hier het hele verhaal weer te geven maar Almirena, dochter van Godfried van Bouillon, de leider van de eerste kruistocht, is verloofd met ridder Rinaldo uit het leger van haar vader. Alvorens zich een enorm drama ontvouwt, waarin Almirena door een tovenares wordt ontvoerd, hebben de twee geliefden een moment. Op youtube is dat vanaf 30:00min.
Little birds, as you sing,
gentle breezes, as softly
you waft around me,
tell me, where is my beloved
Nou, die is vlakbij en de liefde wordt gevierd. Voor eventjes.
Er is een fraai stuk theatergeschiedenis bekend over Rinaldo. Het is niet helemaal duidelijk of het om mythe of werkelijkheid gaat. Joseph Addison die gruwde van het overdreven spektakel in deze opera schreef in zijn blad The Spectator een satire. Daarin zegt hij dat hij voor de première op straat een man trof met een vogelkooi vol musjes. Die waren bedoeld voor de opera -om los te laten wanneer Alminera Augelletti che cantate zingt en verstopt achter het decor houtblazers en lokfluiten klinken die vogelzang nabootsen. De legende wil dat er vele opera’s later nog steeds mussen door het theater vlogen die op de meest ongepaste momenten scènes verstoorden.
In 1999 zong barokgodin Cecilia Bartoli de rol van Alminera. Zij is terecht bijna heilig verklaard omdat ze het stof van al die onbekende opera’s van Vivaldi blies. Nog steeds zijn er puristen die haar niet verdragen. In het Concertgebouw ben ik een keer bijna gewelddadig geworden toen ‘zo’n juffrouw van de eerste rij’ tijdens de pauze van een optreden van Bartoli opmerkte ‘het is wel barok hè’. Duh.
Uit Vivaldi’s (LaGriselda komt de aria Agitata da due venti. Die is door vele groten gezongen maar als Bartoli het stuk uitvoert, gebéurt er iets. Barok gaat over contrast, over licht en donker tegenover elkaar. De mens in tweespalt. De zinnelijkheid die strijdt met het verstand. Carlo Goldoni die de tekst op basis van een ouder libretto verzorgde, laat hier Constanza (maakt even niet zoveel uit wie dat is) verscheurd worden door de keuze tussen liefde en plicht. Hij gebruikt er het beeld voor van de stuurman op zee die door wind uit twee richtingen heen en weer geslingerd wordt. Hij bereidt zich al voor op schipbreuk. Daarom is Bartoli zoveel meer dan techniek: zij weet op het podium een natuurkracht op te roepen.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Weer of geen weer

In 2012 maakte Berndnaut Smilde een wolk. Dat was voor de Hoornse kunststichting Hotel Mariakapel. Het werk heette toepasselijk Cumulus. Een foto ervan werd aangekocht door de Londense Saatchy Gallery en even was de wolk wereldberoemd. Het werk zette de surrealistische wereld van Magritte op z’n kop door hem reëel te maken. Een wolk in een stenen binnenruimte. Wat Cumulus ook duidelijk maakte, is wat een kunstenaar vermag als hij op de hoogte is van technisch allemaal kan. Het schildersdoek, waarop een illusie gevangen moet worden, is heel ver weg. Ik vroeg me toen af wat Smilde met andere weerfenomenen zou kunnen. Een regenboog?
En warempel, voor de tentoonstelling Weather or not in de Eindhovense Mu artspace maakte Smilde een regenboog. Dat wil zeggen, tijdens de expositie die nog tot 25 september duurt, creëert de kunstenaar drie keer een regenboog. (Wie er bij wil zijn, er is nog een kans, op de 23ste). Door een gigantisch prisma wordt dan een regenboog getoverd op het tegenoverliggende Klokgebouw. Afgelopen zondag moest ik me tevreden stellen met een foto.
Die dag scheen de zon niet. Dat betekende dat de Heliophone van de Belgische kunstenaar Aernoudt Jacobs niet werkte. Wie meer geluk heeft kan door een grote toeter de zon horen. De installatie zet namelijk het licht van de ster om in geluid -en dat zonder elektrische versterking. Voor mij ook geen sneeuwstorm. Andere bezoekers moeten die wel hebben meegemaakt. In een rond paviljoen van Martijn Koomen dwarrelt en stuift dan dons. “Gegevens over temperatuur, luchtvochtigheid en windsnelheid worden omgezet in een visuele ervaring”, lees ik. Even denk ik ook het spannendste werk op de tentoonstelling te missen: de waterdruppel die in de lucht danst. Dat is een werk van de Ier Alistair McClymont en is gebaseerd op onderzoek uit de jaren zeventig dat uitgevoerd werd aan de Universiteit van Manchester. Of dat ooit een toepassing buiten de kunst heeft gekregen is niet duidelijk -meestal interesseert mij dat ook niet zo, als het kunstwerk maar goed is. Toch, bij een tentoonstelling over kunstenaars en het weer, zou het wel boeiend zijn als de relatie met de wetenschap helderder is.Wanneer de oppasser op de tentoonstelling met een pipet een waterstraaltje in het schijnbare niets spuit, kom ik erachter erachter dat die ene druppel die overblijft in een verticale luchtstroom hangt. Die kennis doet niks af aan de schoonheid. Niet alles hoeft een wonder te zijn.
Ik zie ook een ruimte met nepweer. Daar is enthousiast over geschreven, maar mij beangstigt het idee: in een kamer waar geen daglicht doordringt, is een lichtkoepel aangebracht. In een strak blauwe lucht is overtuigend de zon te zien. Het licht is van een zomerdag. Maar niet heus, de bron is LED en iets met nano wat ik niet begrijp. Het is het werk van de Italiaanse professor Di Trapani en de vinding wordt ook al commercieel toegepast. Een toverlantaarn uit een brave new world. Steek je kop maar in het zonlicht.rob-sweereEr is in Eindhoven veel werk waarin ‘iets omgezet wordt’: zonlicht in geluid, weerdata in een kolk van dons, en de beweging van een plantenstengel ‘ergens in Amerika’, wordt doorgegeven naar hier en brengt 42 verdorde takken duizendblad aan het zwiepen. Het zijn dit soort vertalingen waar Rob Sweere een radicale streep door haalt. Hij zegt: ga maar liggen, buiten uiteraard, wees stil en onderga wat er gebeurt. Sweere nam al 75 keer het initiatief tot zo’n (non-)actie, en hij gaat onder de titel Silent Sky Project gewoon door. In Eindhoven hangt de prachtige foto van nummer dertien, van 18 juni 2006. Het was Oerol op Terschelling en Bruno Doedens formeerde een gigantisch labyrint van zand, de zogenoemde Jaarringen. Sweere bracht 2000 mensen op de been die plaatsnamen op het aardwerk. Die keken liggend een half uur naar boven. En dan kan het je zomaar gebeuren. Dat je niet denkt over die vleugelslag van een vlinder die aan de andere kant van de wereld een orkaan veroorzaakt, maar dat je opgaat in het geheel van wat is. Je bent weer.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Here’s something for the weekend #224

Er kwam een moerasdraak tussen, maar ik keer nog even terug naar Vlieland en Into The Great Wide Open. Iedereen wilde weten welke luistertips Michelle David mij meegaf toen ze de cd signeerde. Nou, een heleboel. Maar als eerste: The Clara Ward Singers. En dat is de meest fantastische gospel. Ik luister de hele week al niks anders.
Uiteraard gaat het gesprek ook over wat je volgend jaar op ITGWO wil zien en horen. Ryley Walker en Vaudou Game van voorgaande edities mogen zeker terugkomen.
En is het niet tijd voor Stephin Merritt? Die zingt en speelt prachtig in verschillende bands, waarvan The Magnetic Fields de bekendste is. Veelvuldig in Duitsland en Frankrijk op festivalletjes, maar al jaren niet meer in Nederland geweest: The Hidden Cameras. Hun muziek werd bij hun ontdekking omschreven als gay church folk. Heeft ITGWO er ook nog een nieuw publiek bij. Maar goed, als ik droom van één band op Vlieland, dan is het Konono nr.1 uit de Democratische Republiek Congo. Die stonden jaren geleden al in Paradiso en dit najaar komen ze daar weer, net als naar TivoliVredenburg. Hun geluid ontstond in de jaren zestig toen armoede de leden dwong tot inventiviteit. Ze bouwden zelf hun versterkers, maakten drums van afval, en kunnen nooit eerder gehoorde geluiden uit de likembé (‘duimpiano’) toveren. Hopelijk maakt de Grammy die ze wonnen, hen niet te established voor Nederlands fijnste festival.
O ja, RUUP, dat wordt natuurlijk de nieuwe aanvoerder in de lijst van jongensnamen.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Moerasdraken #6 Josua Wechsler

Op 23 september opent in het Bossche Broek de buitententoonstelling Moerasdraak, een samenwerking van brabants kenniscentrum kunst en cultuur (bkkc), Erfgoed Brabant en Staatsbosbeheer. Het natuurgebied aan de rand van Den Bosch vormde eeuwenlang een natuurlijk hulpmiddel bij de verdediging van de stad. Den Bosch is in de twaalfde eeuw gesticht op een zandige heuvel in een verder nat gebied, waar Maas, Dommel en Aa een deel van het jaar buiten hun oevers traden en veel kwelwater aan de oppervlakte kwam. Ideaal om vijanden tegen te houden. De stad, met als bijnaam Moerasdraak, achtte zich onverslaanbaar -dat was ze ook, totdat prins Frederik Hendrik in 1629 Jan Adriaanszoon Leeghwater met zijn ingenieurskunsten inschakelde. Het Bossche Broek kwam droog te liggen en na een beleg van viereneenhalve maand nam de prins de stad in. Dat was het einde van de Spaanse tijd. Den Bosch hoorde vanaf  toen bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en werd als vestingstad voortdurend versterkt en uitgerust met een sluizensysteem om gecontroleerd land onder water te zetten (inunderen).
Vanaf 1700 is Den Bosch ook deel van het Zuiderfrontier of de Zuider Waterlinie. Die kon niet voorkomen dat de stad in 1794 in Franse handen viel. In 1874 wordt de vesting officieel opgeheven. Er volgen verbeteringen van de waterhuishouding. Dat het Bossche Broek gespaard is gebleven als natuurgebied is te danken aan de inspanningen, al voor de Tweede Wereldoorlog, van Roelof Jan Benthem, inspecteur landschapsbouw bij Staatsbosbeheer.
Voor BuitenPlaatsen heb ik een gesprek met alle kunstenaars.

Josua Wechsler woont diep in het Brabantse land. Raamsdonksveer, Geertruidenberg, Terheijden: de horizon op mijn reis wordt bepaald door de Amercentrale. Vanaf de laatste bushalte is het nog een half uur lopen. Dat gaat langs paardenweides, hooilanden en maisakkers. Staatsbosbeheer heeft er zelfs een postzegel: de binnenpolder van Terheijden, en die is onderdeel van de Zuiderwaterlinie. Hoe passend.
Het gesprek met Wechsler gaat ook over reizen: hij kajakte door Nederland, fietste door Australië en Nieuw-Zeeland en naar Griekenland en maakte een trek door Mongolië. Wechsler zet zijn tochten op zijn c.v. –niet zo van kijk mij ‘s, maar omdat ze hem vormen. Het gaat om het blootstaan aan andere landschappen en gewoontes. Ik vraag hem waarom hij zoveel fietst. Voor mij is dat middel van transport te snel om een omgeving goed in me op te nemen. Te veel sport. Wandelen is toch onze natuurlijkste manier van voortbewegen en zou die niet de grootste kans bieden om gedachtes en misschien überhaupt het hele zijn, af te stemmen op de omgeving? Maar voor Wechsler, die in zijn geboorteland Zwitserland wedstrijden fietste, voelt dit toch ook heel Nederlandse vervoermiddel, vaak het meest geschikt. Een auto, dat zou dan weer niet werken.
We praten lang over zijn reis naar Mongolië. Die staat omschreven als horse trekking, wat in dit geval wil zeggen dat de reizigers liepen met paarden die de last droegen. Wechsler kwam in landschappen die eindeloos leeg zijn. Ontmoette nomaden die eerst een half uur de bezoekers aan hun land bestuderen alvorens een geschenk wordt aangeboden.
Voor Wechsler is de reis niet het opdoen van nieuwe ideeën. Dat riekt te zeer naar een actief proces, dat zelden de creativiteit vooruithelpt. Het gaat eerder om een ontvankelijkheid, waarin zich iets anders dan het bekende kan voordoen. Of hij ontdekte hoe wezenlijk iets als eten is –in Mongolië dwingt het landschap af dat je je redt met wat je bij je hebt. Een wolk, en ook zijn schaduw hebben een enorme aanwezigheid als de omgeving verder leeg is. Een nomade zette zijn arend op Wechslers hand en de kunstenaar voelde de kracht van de vogel, zag de scherpe blik van dichtbij.josua-wechslerReizen kan voor een perspectiefwisseling zorgen. Iets universeels, zoals de heelheid van alle leven, ontgaat ons vaak in onze dagelijkse beslommeringen. Voor de realisatie moeten we op weg. Wechsler trok uiteraard ook naar het Bossche Broek. Wat hem daar als eerste opviel was dat er een padenstructuur voor je klaarligt en je wordt niet geacht daarvan af te wijken. Dat stuurt de blik. En het is een randvoorwaarde voor de kunst: die moet vanaf de weg zichtbaar zijn. Een uitdaging voor Wechsler.
Voor de traditionele beeldhouwer is de menselijke gestalte, en misschien het paard, het meesterstuk. Wechsler is in de ban van wolken, juist omdat ze zulke sculpturale kwaliteiten hebben maar geheel en al ontsnappen aan de mogelijkheden die de beeldhouwer heeft om ze vorm te geven: de voortdurende uiterlijke verandering, de minachting voor de zwaartekracht. De wolk lacht de kunstenaar uit. Wechsler: “De wolk zul je nooit halen.”
Wat de kunstenaar ook ervoer in het Bossche Broek is de vlakte. Die is welbeschouwd heel bloemrijk, maar als je er van een afstand over heen kijkt toch vooral groen. Heel droog gezegd: Wechsler maakt voor het Bossche Broek vier beelden die aan een kant groen en wolkvormig zijn en aan de andere kant vlak en bruin –dat laatste zie je pas als je een andere weg neemt. Dat wordt nog een hele toer: bepalen hoe je de beelden precies plaatst. De wolkenzijde is namelijk opgebouwd uit uitstulpende vlakken en daar begint een spel van licht en schaduw. En ook van schaal: is de sculptuur de verbeelding van iets enorms? Of is het in zichzelf iets gigantisch ten opzichte van het microreliëf van het stukje landschap waarin het staat? Over perspectiefwisseling gesproken.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Vanaf Vlieland #4

ruup in landschapDe laatste dag van het festival. Dat voelt wat raar. Ineens dringt het besef door dat het feest eindig is. Ik besluit er een dwaaldag van te maken; dan is alles een verrassing. In het dorp wordt heel goed duidelijk wat je op de rest van het eiland niet merkt: het is zondag. Net als bijna overal in Nederland, hangt er iets terneer geslagens. Snel weg, de natuur in.
verbascumBij de vuurtoren bloeit de verbascum. Een concurrentie in geel, met de teunisbloem ernaast. De toren is klein. Maar omdat hij op het hoogste duin staat, werkt hij prima. Het uitzicht is niet alleen mooi, het heeft iets beangstigends. In een blik is duidelijk dat Vlieland een smalle strook zand is tussen Noordzee en Waddenzee. Het lijkt veel kwetsbaarder dan op de kaart. Achter de toren staat Ruup. Dat is de naam voor de twee houten megafoons die gebouwd zijn door studenten van de Estse kunstacademie. Het ontwerp is van Birgit Õigus. En die vreemde titel? Ruupor is Ests voor megafoon.
Vaak wordt gedacht dat ik ‘van de kunst in de natuur ben’. Dat klopt ook wel, maar niet van zomaar kunst. Er is maar heel weinig waarvan ik vind dat het permanent geplaatst mag worden. Onze bebouwde openbare ruimtes zijn al zo druk en het publieke groen heeft niks nodig. Maar dat Ruup hier staat snap ik wel. De vorm is symbolisch bedoeld, maar werkt toch ook. Als je er in bent, concentreer je je als vanzelf op de geluiden van de natuur. De wind, de vogels. Ruup ligt trouwens verbazingwekkend lekker. Als een marmot in winterslaap breng ik er zo een uur door. Ruup is natuurmeubilair dat past.ruup
Het inspelen en soundchecken van de band van Douwe Bob doet mij meer dan het concert zelf. Maar ‘s-avonds op het slotfeest verrast hij met een mooie gospel en hij doet tweede stem bij Lea Kliphuis die Will the circle be unbroken zingt. Ik houd het niet droog. Dat moet je maar durven: als een Johnny & June het nummer Jackson brengen. Hartstikke goed. Ik krijg een kushandje van Michelle David die losgaat. Ik sta te headbangen op gospel.
Al vrij snel weet je niet meer wie er allemaal op het podium staan: The Gospel Sessions, Lefties Soul Connection, Jungle By Night, alles loopt doorelkaar. En er wordt gespééld. Tjonge. En net voor het bijna een trance wordt, breken de muzikanten de boel weer af en bouwen iets nieuws. En nog een keer.
ITGWO is voorbij. Als ik terugwandel langs het sportveld wordt daar het podium al afgebroken. Great Wide Open, gaat dat over landschap? Komt het van het nummer van Tom Petty? Ik ga het niet opzoeken. Het gaat over het hart. Ik heb me toch een energie, één grote natural high. Zo kan ik niet gaan slapen. Ik bouw nog een feestje en ben mijn eigen DJ St. Paul.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Vanaf Vlieland #3

kaartHet begon met deze kaart. Die vond ik in Utrecht en maakte mij nieuwsgierig. Zou deze plek nog terug te vinden zijn? Dan zou je namelijk bij het begin van de bosbouwgeschiedenis op Vlieland staan. Het blijkt allemaal vrij eenvoudig. Achter het droge sloothuidige kantoor van Staatsbosbeheer was vroeger de kwekerij en de oude sloot is nu een droge greppel zonder scherp profiel.
In de negentiende eeuw was Vlieland een woestijn. Het eiland was ontdaan van zijn plantendek. Vooral overbegrazing door vee richtte veel schade aan -dat gebeurde overigens door op zich geweldige beesten: de Nederlandse Landgeiten. Die zie je ook op schilderijen uit de Gouden Eeuw. Verder zal konijnenvraat en hout- en strooiselwinning ook hebben bijgedragen aan het ontstaan van een kaal eiland. De wind kreeg vrij spel, het zand ging stuiven en bedreigde Oost. Als je daar nog het natuurlijk wandelen dat eigen is aan de Waddeneilanden bij optelt, dan had Vlieland zelfs helemaal kunnen verdwijnen. De redding kwam van Rijkswaterstaat. Aan de Noordzeezijde van het eiland werden strekdammen aangelegd die de schurende en schavende werking van de zee afremden. Vanaf 1870 werd ook helm geplant om verstuiving tegen te gaan. In 1903 werd een begin gemaakt met de eerste bossen. Staatsbosbeheer was adviseur van Rijkswaterstaat en neemt vanaf 1908 de bebossing van Vlieland over.
Wat ga je in godesnaam planten in zand? Het is onvruchtbaar en of te droog of te nat. Met twee ondersoorten van de zwarte den, de Corsicaanse en de Oostenrijkse, bleek je een heel eind te komen. En op het hoogste, droogste duin overleeft zeeden. Maar dat allemaal niet zomaar. Bij het planten hebben de bomen hulp nodig. Dat had Staatsbosbeheer op Terschelling ontdekt, en we zijn er nog steeds trots op: met een doorweekt turfpakket, dat werkt als een spons, naast de wortels van de jonge bomen doorstaan de dennen elke droogte. Zelfs nu, na meer dan honderd jaar, komt de turf nog mee naar boven als een storm een boom ontwortelt.
vijverStaatsbosbeheerder Carl Zuhorn, die me eerst de voormalige sloot liet zien, neemt me mee naar de Torenvijver. Die is gegraven om de turven in te weken alvorens ze bij het planten gebruikt werden. De Klaas Douwesvijver had dezelfde functie en festivalterrein de IJsbaan trouwens ook. De Torenvijver is bosbouwhistorie. Maar vooral ook een hele mooie plek, met zo’n sprookjesachtig eilandje. Van Carl hoor ik wat een feest het hier is in het voorjaar, met duizenden kwakende kikkers. Nu is het stil en scheren de libelles over het water.
vegetatieIk had rugstreeppad en brede wespenorchis op mijn loodjeslijst gezet. Bij het Torenduin vink ik ze af. De orchidee is weliswaar uitgebloeid maar heeft zijn majesteit behouden. Van de rugstreeppad zien we de ‘jaarlingen’ wegspringen. Misschien al op zoek naar terrein waar straks overwinterd kan worden.
Kooisplek is een schilderij. Een groot doek van stippels en vegen. De bessen van de kamperfoelie, rood tegen paarse hei. Er bloeit munt -de geur zo scherp als terpentijn. Ik weet dat er zeldzame zegges staan hier. Maar Carl en ik komen er niet helemaal uit. Dat is ook niet zo gek: ik ben van de cultuur en Carl van de vogels.
En vogels krijg ik. Als Staatsbosbeheerder op pad met collega’s heb ik natuurlijk al heel wat bijzonders gezien en gehoord. Maar dat is altijd per ongeluk. Nu gaan we er echt voor. En dat noem je vogelen. Carl wijdt me in -en dat begint ermee dat ik een fatsoenlijke verrekijker om mijn nek krijg. Weg met het toneelkijkertje van de cultuurhistoricus. Wat dacht ik daar ook door te kunnen zien in het open veld? Nu wijst Carl me op de lepelaars die gebroederlijk naast de aalscholvers staan. CarlIk ben óm. Carl geeft uitleg over de omvormingen in Kroonspolders. Ik luister maar half, want ik wil kijken en meer kijken. Ik snap nu hoe je heel lang gebiologeerd kunt zijn. De snavels door het water: het meest basale gedrag van de lepelaars is een evenement. Leren van de meester is het voorrecht als je met Carl op pad bent. In een onmogelijk klein hoekje van zijn blikveld ontwaart hij een kleine zilverreiger. Door de kijker, staat het dier vóór me. Die ranke nek, de scherpe bek, en dan pets! Eén snelle beweging en het dier heeft een garnaaltje of zo gevangen. Een vlucht tureluurs komt over. Wetenschappers schijnen het synchroonvliegen verklaard te hebben. Ik zie een wonder.moi met kijkerIk liep al over van dankbaarheid, maar de dag brengt nog meer. Carl zet me af bij het festival. Net op tijd voor Ronnie Flex. Wat een moment! Hij nodigt alle kinderen uit op het podium. “Ik heb chips en cola.” Ronnie brengt geluk. In heavy doses.
En nog is de dag niet klaar. In de winkel van kunstenaar Su Tomesen bij De Bolder, spreek ik twee Syriërs. Van de een is de vrouw net aangekomen in Athene, van de ander is de hele familie achtergebleven in Aleppo. Bij het afscheid weet ik  niks anders te zeggen dan ‘het móét goedkomen’.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen