Here’s something for the weekend #223

Geen andere artiest was zo vaak in hsftw als Kate Bush. Logisch: zij zingt over zonsondergangen, sneeuw, vogels, life as such en wolkenluchten. Deze mix van The Big Sky is officieel uitgebracht; de clip is het product van een fan. Daarin zien we ook de beelden van een ander wolkennummer van Bush: Cloudbusting. Kate speelt het jongetje Peter Reich, Donald Sutherland zijn vader, Wilhelm. De muzikante kwam op het idee voor het nummer en de clip nadat ze het autobiografische Book of Dreams van Peter had gelezen. Daarin gaat het onder meer over het leven dat vader en zoon hadden op Orgonon, het landgoed dat Wilhelm Reich (1897-1957) in Maine stichtte nadat hij in 1939 Europa ontvlucht was voor de nazi’s. Reich was psycholoog en hield zich met tal van onderwerpen bezig, hij schreef over het fascisme en over het orgasme van de vrouw. Zijn zoon noemt hem de vader van de sexuele revolutie omdat hij probeerde om zaken als voorbehoedmiddelen en homosexualiteit bespreekbaar te maken. Ironisch genoeg zouden juist in de Verenigde Staten zijn boeken verbrand worden. Reich hield er zeer omstreden theorieën en praktijken op na. Zo dacht hij had er een kosmische energie is (die bijvoorbeeld vrijkomt bij het orgasme) die door hem als medicus te beteugelen is. Daartoe bouwde hij een soort kasten, orgone accumulators waar een patiënt in plaats nam. De kast bestond uit gewone materialen als hout en ijzer maar Reich dacht toch dat hij zo de energie of orgone, kon concentreren en uiteenlopende aandoeningen genezen.
Reich ging er ook vanuit dat er in de lucht een soort ‘anti-orgone’ aanwezig kan zijn die bijvoorbeeld droogte en woestijnvorming veroorzaakt. Hij bedacht er een oplossing voor: de cloudbuster die ‘vastzittende’ orgone kan vrijmaken en het zo laat regenen. Wie nu denkt dat dit zo gek is dat niemand het kon geloven: in het boek Regen (2015) van Cynthia Barnett wemelt het van de voorbeelden van regenmakers en andere weercharlatans die in dezelfde tijd door de VS trokken en een goede boterham verdienden. Vreemd genoeg noemt zij Reich niet terwijl hij toch echt door verbouwers van bosbessen werd ingeschakeld toen de oogst dreigde te verdrogen. De cloudbuster die Reich bouwde van aluminium pijpen is trouwens een flinke slag kleiner dan het gevaarte in de clip.
Voor wie dit verhaal een beetje te is: The Big Sky gaat gewoon over liggen in het gras en naar de wolken kijken.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het verlangen naar buiten, revisited

broekhuizem vijverAh! Terug naar Broekhuizen. Op deze mooiste buitenplaats van de Stichtse Lustwarande (het snoer van grote huizen in het groen tussen Utrecht en Amerongen) presenteerden we in 2008 mijn boek Het verlangen naar buiten. Het was een gouden dag. Uiteraard omdat er veel van die liefstoere Staatsbosbeheerders waren, en vrienden en nieuwe mensen. Dr. Catharina van Groningen (“Zeg maar Kitty” – “Hallo Kitty”) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gaf een causerie over de wooncultuur in deze streek. Alles chic maar dikdoenerij is een gruwel. Ik ontmoette er René Dessing die toen al bezig was met wat in 2012 een enorm succes zou worden: het Buitenplaatsenjaar. Maar de magie van de plek deed ook zijn werk. Onvergetelijk om in de schemer een laatste glas te drinken en terwijl de vleermuizen rakelings over je hoofd scheren wat mijmerend naar dat ‘kasteel’ te kijken. En dan joelend in de auto terug naar de stad. Weet je nog Joke?
Gister was ik er voor het eerst weer. Nu met boswachter Janneke Ordelmans en fotograaf Jeroen Scheelings. We maken een reportage voor het blad Monumentaal. Het ‘kasteel’ (“de dorpelingen noemen alles met een torentje een kasteel”, sprak Agnies Pauw van Wieldrecht ooit, over wie straks meer), het koetshuis en de oranjerie zijn allemaal in de verbouwing. Op Broekhuizen is sprake van gedeeld bezit. Staatsbosbeheer heeft er nog geen baksteen, maar wel praktisch alle groen -alhoewel, dat is niet helemaal waar: de ruïne van het zwembad beheren wij. Toch weten wij ook hoe moeilijk het kan zijn om voor zulke monumentale panden een herbestemming te vinden. Je loopt er al snel op leeg. Dat was vroeger trouwens vaak niet anders: het geld werd in de stad verdiend -het verblijf op het land mocht wat kosten. Maar goed, nu komt er een hotel en een brasserie. Die zouden zo maar eens een succes kunnen worden. Heel Nederland kent de plek eigenlijk al omdat een bakwedstrijd voor televisie op Broekhuizen wordt opgenomen. (Ik hoor Agnies zaliger denken: “als hij nou maar niet ‘gebakje’ zegt”, hiér is het taartje”).
Grote landschapsarchitecten hebben op Broekhuizen gewerkt, en daar ga ik heus wel serieus over schrijven. Maar nu wil ik gevoel krijgen voor de routing van het park. Die hoort vanzelfsprekend én verrassend tegelijk te zijn, wat een hele opgave is. Broekhuizen slaagt glansrijk: zonder ons gedwongen te voelen in een richting belanden we achter het huis. Maar niet voordat het pad ons eerst door een donkere partij sparren voerde. En dan: Ta Táá! In al zijn glorie, het huis -als op een speelkaart gespiegeld in het water van de vijver.
Terwijl Jeroen fotografeert (hij moet echt werken vandaag, ik ‘doe indrukken op’) bewonderen Janneke en ik de libelles. Ze zijn er in grote aantallen en in veel soorten. Dat is een moment: een mannetje en vrouwtje haken aan elkaar en worden een groot veelvleugelig insect, dat telkens even het water raakt en weer opveert. Dan zet het vrouwtje eitjes af, weet Janneke. Je bent er ook boswachter voor om nog voor je ‘m spot, de ijsvogel te horen. En dan, verrassing: we zien er twee, schichtend over de vijver.vruchtbaarheidsgodinnen metBij het koetshuis staat alle tuinopschik wat oneerbiedig bij elkaar. Dat moet vanwege de werkzaamheden. Ik zie een werkelijk geweldig hondenhok, in cementrustiek. Er is een hele club vruchtbaarheidsgodinnen. Vooruit! Janneke en ik ertussen. Iets verderop treffen we nog een schat aan: een bootje. Het is duidelijk oud, misschien wel negentiende-eeuws. Zou dat hetzelfde schuitje zijn waarmee Agnies met haar nichtjes en vriendinnen op de vijver ging spelevaren? O ja: Agnies. Haar grootouders woonden hier en als kind bracht ze op Broekhuizen haar zomers door. Ze kon daar schitterend over verhalen, wat ze bijvoorbeeld deed in de publicatie Het dialect van de adel.
Voor wie alleen gehecht is aan het oude is er misschien te veel veranderd op Broekhuizen. Maar ik zie een buitenplaats die sprankelt. De dag had niet mooier kunnen zijn.

Meer lezen over Broekhuizen? Dat kan in het oktobernummer van Monumentaal.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Geen weg terug naar Eden

Pierre HuygheDe Punica oase! Ik kon het niet helpen aan dit frisdrankreclamelandschap te denken, toen ik het nieuwste beeld zag in het park van het Kröller-Müller Museum. Het is van de fransman Pierre Huyge, die eerder in dit blog besproken werd toen hij in een aquarium een heremietkreeft een kunstige behuizing schonk. Maar nu is Huyghe buiten bezig geweest: binnen een rand van golvende zandheuvels (die op woestijnduinen lijken -ze zijn nog maar spaarzaam begroeid) ligt een eiland, met daarop een niet te missen palm. Ik zie ook een spar en bamboe, samen leveren die een nogal zenuwachtig boombeeld op. Een bord met daarop een vlekkenkaart verklaart de verdere beplanting -Gertrude Jekyll (1843-1932), de formidabele Engelse tuinarchitecte die beroemd werd met dit soort tekeningen, zou een flauwte krijgen. Een wolk chrysanten bij lage anjers en pompoenen? Mooi is het allemaal niet, maar daar lijkt het de kunstenaar ook niet om te doen. Huyghe gaf zijn tuin de titel La Saison des Fêtes en hij gebruikte er alleen maar planten die iets van doen hebben met feestdagen: de spar van kerst, pompoenen van Halloween en zo verder. Waarom? Ik heb geen idee. Binnen zal ik later video’s van Huyghe zien, en die geven wel een inkijk in de gedachtes van de kunstenaar.
Maar eerst iets anders. Ik dacht, misschien kan ik Huyghes werk wel fraai van boven zien vanaf de trap van Krijn Giezen. Dat is ook een kunstwerk, het heet Kijk Uit Attention. Lange tijd was het afgesloten omdat al vrij snel na de opening (2005) een onverlaat tijdens een schoolreisje van de trap afrende en ten val kwam. Dom. En de kunst lijdt eronder. Niet alleen ging het kunstwerk tien jaar dicht, ook kwamen er lelijke (maar veilige) stanketsels waar beklimmers zich aan vast kunnen houden. Toch, het werk is zo krachtig, dat krijg je niet zomaar kapot.
Krijn GiezenDe trap ligt in een noord-zuid gerichte zichtlijn die Helene Kröller-Müller in 1930 markeerde met het kunstwerk Gewei van John Rädecker. Dat bestaat uit een grote steen waarin de kop van een edelhert is gehouwen. Tussen de geweistangen ontspringt een denkbeeldige as die zich voorzet in de trap. Een beetje een Katholiek (of een jager) moet dan aan het visioen van Sint Hubertus denken die een lichtend kruis tussen het gewei van een hert zag. Het werk van Giezen als een hemeltrap? Eerder het tegenovergestelde. De trap brengt je juist heel erg op aarde. Hoe hoger je komt, hoe meer de omliggende begroeiing zich sluit. Boven is niet een beeld uit het park meer te zien. Er is de uitgestrektheid van de Veluwe, met de bossen als een gigantische boerenkool, hier en daar is een lichtbruine vlek: de zandverstuivingen. En aan de horizon, net buiten de as, ligt een blokje. Dat is Radio Kootwijk.
Binnen is ter ere van de oplevering van Huyges werk de tentoonstelling Nature Based ingericht. Die bestaat voor het grootste deel uit video’s. Van Huyghe zie ik een film over Streamside Day, dat is een feestdag die de kunstenaar bedacht voor een villadorp in de staat New York, Streamside Knolls. Dat is midden in de natuur aangelegd voor mensen die van het buitenleven houden. En dat wringt. Natuur vernietigen om van wat over is te genieten. Zou hij ons met zijn feestplanten ook op zoiets wijzen? Ooit verbonden die ons juist met de natuur, maar het zijn nu eerder industriële producten (Valentijnsdagrozen, kerstbomen, Halloweenpompoenen, en vooruit lucky bamboo). Hij had er best een granaatappel (Punica granatum) tussen kunnen zetten. 
Van Broersen & Lukács is het magistrale Establishing Eden te zien. (Op hun site staat een voorproef). Zij reconstrueerden Nieuw-Zeelandse landschappen zoals we die kennen uit de films Avatar en Lord of the Rings -waar ze settings zijn geworden voor verhalen die feitelijk niets met de plekken te maken hebben. Immens donkere grotten en groene feestweides worden ontdaan van hun opgelegde betekenis, ze zijn geen metafoor meer voor iets uit een plot. Broersen & Lukács leggen dan iets verontrustends bloot: de natuur die zij tonen is ook niet van zichzelf. We moeten er iets mee. Al is het maar ons verlangen naar een paradijs op projecteren.Establishing Eden

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Here’s something for the weekend #222

Van de naamgeving van sterrenbeelden heb ik nooit zoveel begrepen. Gewoon omdat de vorm ook aanleiding zou kunnen zijn voor een naam die meer voor de hand ligt. Neem Orion (vernoemd naar een mythische jager uit de Griekse oudheid), bij ons het beste te zien tussen november en maart, die zou je toch ook gewoon ‘zandloper’ kunnen noemen. Dat is een stuk minder romantisch en avontuurlijk -je mist zo het godenverhaal dat het beeld verklaart. De hond van de jager is een eigen sterrenbeeld: Canis major of Grote Hond. De helderste ster in dit sterrenbeeld (en na de zon de helderste aan onze hemel) is Sirius, ook wel Hondsster genoemd. Grofweg tussen 20 juli en 20 augustus komt deze ster gelijk op met de zon, en is dus dan niet te zien. Dat is ook de periode waarin de hoogste temperaturen gehaald worden, waarin de zomer onbarmhartig kan zijn. We spreken van de hondsdagen -de naam is afgeleid van de ster maar kan makkelijk in verband gebracht worden met ‘honds’ (‘bar’, het is afzien) en vanwege het vaker voorkomen van onweer met ‘hondenweer’ (dat afgeleid is van ‘ondeweer’, slecht weer). Voor de komst van de ijskast was de kans op bedorven eten groter (veel bacteriën floreren bij warmte en vochtigheid). Dat dit als kliek voor de hond eindigde zou ook iets met de naam hondsdagen te maken hebben. Hoorde ik in Limburg. Maar dat klopt dus niet.
In tal van volkswijsheden en weerspreuken wordt onweer direct in verband gebracht met het bederf van voedsel (en ook met het verwelken van snijbloemen). Een wetenschappelijke verklaring is er niet voor. Al wordt heel voorzichtig gewezen op het feit dat bij lagere luchtdruk, water al bij een lagere temperatuur kookt en zo dus niet alle bacteriën erin gedood zijn.
In de Enkhuizen Almanak uit 1825 lezen we: “De hondsdagen loopen met der haast ten einde, en dit zal voor de honden, zoowel als voor de menschen, goed wezen: de eerste worden weder in hunne vrijheid hersteld, en de laatste hebben voor hen niet meer te vreezen.” Lange tijd geloofde men dat in het hart van de zomer honden dol konden worden. Ze werden aangelijnd en gemuilkorfd.dog days are overHet woord ‘hondsdagen’ (in het Engels: dog days) werd alleen nog maar van stal gehaald om een weerpraatje wat op te leuken. Het betekende niet veel meer. En ineens was daar de britse muziekgroep Florence + The Machine met het nummer Dog Days Are Over. Dat werd voor het eerst in 2008 uitgebracht maar werd later veel bekender door een reclame van Apple en de trailer van Eat, Pray, Love. Voor tieners die gebuffeld hadden voor het eindexamen hoorde het bij de soundtrack van de zomer. Uit de commentaren op youtube is duidelijk dat velen geen idee hadden van waar de uitdrukking uit de titel oorspronkelijk op sloeg. Florence zelf vertelde in een interview dat ze de woorden op een grote tekstinstallatie van de kunstenaar Ugo Rondinone had gezien. Daar fietste ze, op weg naar de Londense studio, elke dag langs. Wat Rondinone wil zeggen met zijn kunst en Florence met haar muziek hoeft natuurlijk niet hetzelfde te zijn. Maar ik zie wel een overeenkomst. Rondinones werk is te schreeuwerig blij om helemaal letterlijk te nemen. Er zit een laag onder de eendimensionale happy happy joy joy-boodschap. Achter de schmink van de clown schuilt de melancholie. Na de hondsdagen zijn er de eerste tekens van de herfst, voor velen een periode van onbestemd onbehagen.
Nu vind ik zelf de herfst vaak een glorieuze tijd. Maar er zit iets ongemakkelijks in die vroege voorbodes. Vanaf 25 augustus is Sirius weer aan de hemel te ontwaren. En ineens valt op hoeveel spinnenwebben er zijn. Dat het ‘s avonds toch echt vroeger donker is. Iets weemoedigs heeft het wel. Het is mijn verjaardag.

Met excuses voor deze bruut afgekapte clip.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Moerasdraken #4 Manuel Marengo de Swaaf

Op 23 september opent in het Bossche Broek de buitententoonstelling Moerasdraak, een samenwerking van brabants kenniscentrum kunst en cultuur (bkkc), Erfgoed Brabant en Staatsbosbeheer. Het natuurgebied aan de rand van Den Bosch vormde eeuwenlang een natuurlijk hulpmiddel bij de verdediging van de stad. Den Bosch is in de twaalfde eeuw gesticht op een zandige heuvel in een verder nat gebied, waar Maas, Dommel en Aa een deel van het jaar buiten hun oevers traden en veel kwelwater aan de oppervlakte kwam. Ideaal om vijanden tegen te houden. De stad, met als bijnaam Moerasdraak, achtte zich onverslaanbaar -dat was ze ook, totdat prins Frederik Hendrik in 1629 Jan Adriaanszoon Leeghwater met zijn ingenieurskunsten inschakelde. Het Bossche Broek kwam droog te liggen en na een beleg van viereneenhalve maand nam de prins de stad in. Dat was het einde van de Spaanse tijd. Den Bosch hoorde vanaf  toen bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en werd als vestingstad voortdurend versterkt en uitgerust met een sluizensysteem om gecontroleerd land onder water te zetten (inunderen). Vanaf 1700 is Den Bosch ook deel van het Zuiderfrontier of de Zuider Waterlinie. Die kon niet voorkomen dat de stad in 1794 in Franse handen viel. In 1874 wordt de vesting officieel opgeheven. Er volgen verbeteringen van de waterhuishouding. Dat het Bossche Broek gespaard is gebleven als natuurgebied is te danken aan de inspanningen, al voor de Tweede Wereldoorlog, van Roelof Jan Benthem, inspecteur landschapsbouw bij Staatsbosbeheer.
Voor BuitenPlaatsen heb ik een gesprek met alle kunstenaars.

Manuel Marengo de Swaaf volgde de richting ‘autonome beeldende kunst’ op de Academie voor Beeldende Kunst en Vormgeving Sint Joost in Den Bosch. Hij woont echter niet in Brabant, maar in Arnhem, en eigenlijk ‘nog op kamers’. De omgeving mag dan studentikoos zijn, het werk van Marengo de Swaaf is dat allerminst. Dat is volwassen. Daarover zo meteen meer.
Wat meteen opvalt  in zijn woonruimte is de schouwmuur; die is helemaal volgehangen met veren. Van ‘doodgewone’ vogels zoals stadsduiven, maar ook van uilen en andere roofvogels. En –ik weet nog goed hoe bijzonder dat voelde om er zelf een te vinden –een blauw veertje van de Vlaamse gaai. Het geheel heeft iets van een altaar, zeker met dat schilderij: het kindje dat erop afgebeeld staat hield ik voor Jezus. Maar het blijkt toch echt een piepjonge Manuel te zijn. Ik vraag niet of hij weet wat zijn naam betekent.
Ik denk: een echte buitenjongen. Maar als ik informeer naar natuurervaringen als kind, zegt hij dat hij altijd binnen was, aan het tekenen en met lego in de weer. “Wacht! Dat is niet helemaal waar” en Marengo de Swaaf toont me een foto van een blij kind spelend in een plas, met op de achtergrond oerwoud. Dat was in Suriname waar hij twee jaar woonde. En ineens gaat het over mangobomen en passievruchten, geuren en smaken die je een leven lang bijblijven.
Een gesprek met Marengo de Swaaf moet ook over muziek gaan, hij kan ze uiteraard wel scheiden, maar het liefst benadert hij beeld en geluid als een tweeëenheid. Hij vertelt hoe hij in zijn afstudeerperiode, dat is nog maar een jaar geleden, zomaar wat zat te schetsen en dat daar het begin van een vorm uitkwam die hij driedimensionaal wilde uitwerken. Eigenlijk is het niet meer dan een stalen stang die aan een kant een bijna gesloten lus heeft.  Zelf zegt hij daarover “het was op de tast zoeken naar de balans van vormen.” Als je het voorwerp op de grond legt en een tikje geeft dan blijft het lang heen en weer gaan alvorens het tot stilstand komt. Een soort metronoom. En eigenlijk ook een stemvork; de kunstenaar onderzocht op welke toonhoogte het object zal resoneren. Na het voorwerk, het spel: Marengo de Swaaf plakt er sensoren op, versterkt en vervormt het geluid. Van diep en oer uit een verre grot tot schel en industrieel.Manuel Marengo de SwaafVan dat werk durf ik wel te zeggen dat het typisch is voor een academiestudent: vorm, geluid, werking in de ruimte en eventueel inhoud moeten onderzocht worden. Dat blijft bij een kunstenaar natuurlijk altijd doorgaan, serieus of spelenderwijs. Maar er gebeurt, als het goed is, wel iets op een gegeven moment: de kunstenaar vindt zijn vorm, zoals dat heet. Die kan hij zo vaak veranderen als hij wil, het is geen mal. Maar bij het werk denk je, Manuel Marengo de Swaaf 2hij had het niet anders moeten doen. Dat zie ik bij zijn ‘zeshoeken’. Die zijn het product van wis- en natuurkundig inzicht én kunstenaarsintuïtie. De vorm is af. En hoe mooi ook, er zit niks voor de sier aan, het geheel komt voort uit een functie. Marengo de Swaaf  vertelt hoe hij kantelpunten onderzocht. Zijn zeshoeken zijn als schalen met vakken, meestal zes, maar soms ook met een extra verhoogd centraal vak. De schaal ligt uiteraard altijd op één vak. De kunstenaar demonstreert: er gaat een emmer water leeg in het kunstwerk. En dan snap ik de tuimeling. Er is één punt waarop het vak tegenover dat welk contact maakt met de grond, zo gevuld is dat het kunstwerk kantelt. Een nieuwe balans  -voor een moment: dynamisch evenwicht.
Het zit er niet bewust in als referentie maar ik moet aan de overlaten denken die in de buurt van Den Bosch functioneerden. Met overlaat wordt niet alleen een lager gedeelte in een dijk aangeduid maar ook het gebied dat overtollig water opvangt. Voor het Bossche broek experimenteert Marengo de Swaaf nog met de vorm. Als je aan de randen van de vakken, om en om, een lipvorm last, dan rolt het kunstwerk door na de kanteling. In het Bossche Broek is er geen kunstenaar met emmers water. Daar moet de natuur het werk doen. Een natte nazomer zou Marengo de Swaaf dus goed uitkomen. Ik kan niet wachten om het geluid van de regen te horen in zijn zeshoeken.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het monument in zijn landschap

leudal molenStaatsbosbeheer heeft vele honderden monumenten in bezit. In die collectie zitten zeer uiteenlopende zaken; van grenspalen tot eendenkooien. En er zijn de archeologische monumenten, waarvan de grootste groep, de grafheuvels, vaak zo deel zijn van hun omgeving dat ze niet zomaar opvallen. Maar bij monumenten denken de meeste mensen toch aan een gebouw; een kasteel, molen, boerderij, fort of misschien zelfs fabriek. En het liefst willen ze daar weleens een kijkje nemen. Wat in Nederland op heel veel locaties kan tijdens het weekend van Open Monumentendag -dit jaar op 10 en 11 september. Staatsbosbeheer doet uiteraard mee. Op veruit de meeste plekken beheert Staatsbosbeheer niet een gebouw of een natuurgebied maar een geheel. Buitenplaatsen liggen in een omgeving die al eeuwen bezocht wordt om aan de stad te ontsnappen -eerst alleen door een elite, nu door iedereen. Forten en ander ingenieurswerk van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn deel van een gigantische blauw-groene ruggengraat in het landschap van midden-Nederland. Het beroemde Radio Kootwijk hóórt op een open plek, het functioneerde immers als zendstation en nergens was het leger dan daar op de Veluwe.
Het is goed dat ze er nog zijn, maar ze stemmen ook treurig: die restanten, niet zelden alleen een hek of zuil van de toegangspoort, van een oud klooster of een buitenplaats, die opgenomen zijn in de architectuur en infrastructuur van onze tijd. Ze zijn vaak minder dan een herinnering, een vage verwijzing hooguit. En in feite grafmonument voor oude glorie.
Wat word je dan blij van een plek waar alles er nog is. Zoals in het midden-Limburgse Leudal. Dit natuurgebied ligt ten noordwesten van Roermond en wordt doorsneden door de Zelsterbeek en de Leubeek. Ten Zuiden ervan stroomt de Haelensche Beek. De beken hebben zich soms diep ingesneden in het zand waardoor steile oevers ontstonden die voor Nederland best exotisch zijn. Al eeuwen wordt het stromend water gebruikt om molens aan te drijven. Ooit stonden er drie in dit gebied. Een is helemaal verdwenen, de Sint Elisabethsmolen is een ruïne, maar heeft wel nog een draaiend rad. En de Sint Ursulamolen, ook Leumolen genoemd, die staat er nog en hij werkt! Een functionerende molen, dat is een evenement.leudal raderenAls je aan komt lopen via Het Lange Pad, dat door fraaie bossen voert, hoor je opeens een geraas. Nog voor je de molen in het vizier hebt, weet je dat zich vlakbij water met geweld naar beneden stort. De Leubeek heeft hier een molentak, in feite een omleiding van de beek waarin de molenaar het waterpeil precies zo kan regelen dat hij het hele jaar door over een stevige krachtbron beschikt. Ga je bij de molen kijken dan is het nog steeds indrukwekkend wanneer het machtige molenrad in beweging wordt gezet door het stuwende water.leudal bezoekersDe molen is goed voor menig idyllisch plaatje. Oude rode pannen en begroeiing met klimop maken hem tot iets uit een sprookje. Met monumentenzorg (nu RCE) is wel afgesproken dat het groen niet mag gaan woekeren. Door een keer per jaar te snoeien houden we het in toom. En dan naar binnen! Oh, het klopt, hamert en schuurt er. Dat had ik lang niet geroken: vers gemalen mais. Is het nieuw voor je, hoe een molen werkt – en hier hebben we een graan-én een oliemolen – dan is er ruimschoots uitleg door vrijwilligers. Ik val voor de schoonheid van het mechaniek: het drijfwerk en de grote houten tandraderen die in elkaar grijpen.leudal blauwOp de muren van wat ooit misschien het verblijf van de molenaarsknecht was, tref ik restanten aan van een pleisterlaag. In mijn favoriete kleur blauw! Die werd vroeger wel gebruikt om vliegen te weren. Ik hoor dat er plannen bestaan om dit stuk opnieuw in het blauw te zetten. Doen!
De Leumolen en ook de horeca en het informatiecentrum bij de Elisabethsmolen zijn echte hotspots. Maar ik wil hier natuurlijk ook verder het landschap in, meer van de beken zien. Aan de andere kant van Het Lange Pad, weer naar beneden, loopt de Zelsterbeek. Ik kom heel lang niemand tegen. Sommige bochten van de beek raken bijna het pad. Het water is rood van het ijzer. Op een plek waar gerooid is, kun je niet zien of er nog een weggetje is. Dan mag ik daar ook wel even kijken, besluit ik. Manshoge brandnetels staan er. De beek murmelt zachtjes -wat een oud geluid is dat. Zou een ijsvogel mij nu zien?leudal beek

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

Here’s something for the weekend #221

Lang voordat koning Willy op televisie een Ikeakast in elkaar zette, schilde zijn oma al spruitjes ten overstaan van het hele Nederlandse volk. Dat was in het programma Barend is weer bezig (1972) waarin Barend Servet koningin Juliana interviewt. Servet was bedacht door Wim T. Schippers, die eind jaren zestig en begin jaren zeventig de grootmeester van de ontregelende televisie was. Hij was toen al internationaal bekend met zijn ‘beeldende kunst’. In 1961, en opnieuw in 1963 leegde hij een flesje Green Spot (‘limonade gazeuse’) tijdens zijn Manifestatie aan het Strand te Petten.Van Schippers is ook de figuur S. van Oekel. Dolf Brouwers, die hem gestalte gaf, bedacht dat die ‘S’ voor Sjef moest staan. Brouwers viel dusdanig samen met zijn oorspronkelijk fictieve personage dat Sjef van Oekel voor velen echt was.
Van Oekel maakt een heel rijtje archaïsche uitdrukkingen populair, waarvan ‘reeds’ en ‘pardon reeds’ de bekendste zijn maar in de jaren zeventig schijnt zijn ‘ik ben ook maar een gewone boerenlul’ veel gebezigd te zijn door studenten.Bij Sonja zingt hij Eens zal de Betuwe in bloei weer staan. Over archaïsch gesproken. De woordvolgorde schuurt zo aan de oren dat ik even dacht dat het om een persiflage gaat. Maar dat is niet het geval. Het lied (tekst en melodie) is geschreven door Han Dunk (1909-1996) en was direct na de oorlog enorm populair. Op youtube vind je makkelijk de uitvoering uit 1946, met het Metropole Orkest en zangeres Netty van Doorn. Eens zal de Betuwe in bloei weer staan drukt de vastberadenheid uit waarmee Nederland ”uit zijn asch” moest herrijzen. In de Betuwe waren in september 1944 de geallieerde troepen vastgelopen. De Linge vormde de frontlinie. Dat leidde tot een binnenlandse vluchtelingenstroom van vrouwen en kinderen. De gevechten tussen Duitsers en geallieerden waren hevig. Tijdens een bombardement op twee oktober werd het dorp Huissen verwoest. Er vielen 207 doden. Op het oorlogsmonument in Bemmel staat:
Wie kent er als wij het geweld der granaten
Hun dreunende dodende slag
Wie luisterde in stiltes zo angstig geladen
Zag laaiender branden bij nacht.
De tekst van Dunk rept ook van Er groeit op Walcheren weer goud geel graan. In september 1944 hadden de geallieerden de haven van Antwerpen veroverd op de Duitsers maar voor een veilige doorvoer was het noodzakelijk ook het bezette Walcheren in handen te hebben. De Duitsers zouden verdreven worden door Walcheren onder water te zetten (inunderen). Vanaf drie oktober werd een serie bombardementen uitgevoerd om dijken te vernielen. Walcheren kwam onder een laag zout water te staan. ‘De tuin van Europa’ was verwoest. Na de oorlog liet reparatie op zich wachten, dat kwam door materiaalgebrek. De dijk bij ‘ons’ fort Rammekens werd pas in februari 1946 gedicht. Er kwam een Herstelplan Walcheren. Daarin werd, onder meer door architect Pieter Verhagen bepleit om Walcheren te reconstrueren naar de logica van de natuurlijke situatie (zoals het reliëf van de bodem) maar met inachtneming van de eisen voor rationele landbouw. In 1947 werd de Herverkavelingswet van kracht. Kleine percelen, doodlopende wegen en meidoornhagen kwamen niet meer terug. Staatsbosbeheerder en landschapsarchitect Nico de Jonge ontwierp veel van de nieuwe stoffage van Walcheren. Doorgaande wegen op de hogere delen kregen een statige laanbeplanting. In het open landschap van de kommen liet hij boom- of struikbeplanting achterwege, net als voorheen. Bij de voormalige dijkdoorbraken realiseerde hij bossen. Die waren vaak smal maar oogden behoorlijk (ze worden illusiebossen genoemd). Zonder veel grond weg te snoepen van de noodzakelijke landbouw, was er zo ruimte voor recreatie. …Tevreden zijn wij pas / Wanneer ons land weer worden mag zo mooi als ‘t immer was, dichtte Dunk. Dat is een kwestie van smaak. Maar Walcheren prijkt nu wel op de lijst die de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed opstelde met dertig wederopbouwgebieden van nationaal belang.

Voor deze post is gebruik gemaakt van Maakbaar Landschap, Nederlandse landschapsarchitectuur 1945-1970, geschreven door Fransje Hooimeijer en Marinke Steenhuis (NAi Uitgevers 2009).
Met dank aan Frank van Nus voor de muziektip.

Geplaatst in Landschap | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen